Voor onze nieuwsbrief spreken we stakeholders binnen OR ELSE over hun betrokkenheid bij het project, duurzame zandwinning, en hun vragen voor ons onderzoeksteam. Deze keer: Leonie van der Voort, directeur van Cascade, de branchevereniging voor zand- en grindproducenten en andere oppervlaktedelfstoffenwinnende bedrijven in Nederland.
Wat is je rol binnen Cascade?
Ik ben directeur van Cascade. Het is een branchevereniging van oppervlaktedelfstoffenwinners. Er werken drie mensen. Dat gaat niet alleen om zand, maar ook om grind, klei, kalkzandsteen en zilverzand. Veel mensen denken dat zand gewoon zand is, maar dat klopt niet. Er zijn verschillende fracties met verschillende toepassingen. Zand uit zee is bijvoorbeeld zout en daardoor minder geschikt voor beton, of het moet eerst gespoeld worden, met de hele kleine korreltjes kun je geen beton maken etc.
We hebben achttien leden, maar daarmee vertegenwoordigen we wel ongeveer 90% van de bouwgrondstoffenwinning in Nederland. Het zijn vooral grote familiebedrijven die al lang in deze sector actief zijn, voor wie lange termijnzekerheid belangrijk is.
Waarom is beleid en lange termijnzekerheid voor deze bedrijven zo belangrijk?
Omdat we nu een probleem zien ontstaan. Nederland heeft genoeg zand en grind in de bodem, maar de vergunningen om deze te mogen winnen lopen af. Tegelijk is er lange tijd gedacht dat we door de circulaire economie (leer hergebruik) geen primaire grondstoffen meer nodig zouden hebben.
In werkelijkheid blijft de vraag naar grondstoffen groot. We bouwen veel meer dan we slopen, en we moeten ook dijken versterken en nieuwe infrastructuur aanleggen. Zelfs als we al het materiaal uit sloop zouden hergebruiken, kunnen we daarmee misschien ongeveer 10% van de vraag dekken.
Dus de verwachtingen rond circulariteit zijn te optimistisch geweest?
Ja. Circulariteit is belangrijk en daar zijn we ook voorstander van, maar het kan de vraag naar primaire grondstoffen niet vervangen. Toch is beleid daar lange tijd sterk op gericht geweest.
Tegelijk lopen vergunningen af, terwijl nieuwe vergunningen vaak ongeveer vijftien jaar kosten om te verkrijgen. Dat komt doordat het complexe projecten zijn, met veel onderzoeken naar bijvoorbeeld natuur, archeologie en stikstof, en doordat er vaak bezwaarprocedures volgen. Iets korter kan, maar vaak zal het toch 7-10 jaar kosten.
Toch zie jij natuurbescherming niet als belemmering. Je spreekt je veel uit over duurzaamheid en hoe zandwinning en natuurherstel hand in hand kunnen gaan. Kun je daar iets over vertellen?
Ja, veel zandwinprojecten leiden uiteindelijk tot nieuwe natuurgebieden. We halen bijvoorbeeld agrarische grond uit productie en ontwikkelen die tot waterrijke natuurgebieden met eilandjes en oevers die gunstig zijn voor biodiversiteit. Daarbij werken we vaak samen met organisaties zoals Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer of milieufederaties. Na afloop beheren zij het gebied vaak verder. Wij dragen dus ook bij aan natuurontwikkeling en rivierverruiming.
Hoe verduurzamen jullie de sector zelf?
Bedrijven investeren veel in elektrificatie en verduurzaming. Machines worden elektrisch, er worden zonnepanelen geplaatst en er wordt gekeken naar manieren om energiegebruik te verminderen.
Daarnaast proberen we projecten zo te ontwerpen dat ze ook maatschappelijke waarde hebben, bijvoorbeeld door natuurontwikkeling of waterbeheer te combineren met zandwinning.
Waar zit volgens jou het grootste knelpunt voor de toekomst?
Het grootste probleem zit in de vergunningverlening. De grondstoffen zijn er wel, maar zonder vergunningen kunnen ze niet worden gewonnen. Daardoor zien we dat Nederland steeds meer afhankelijk wordt van import, bijvoorbeeld graniet uit Noorwegen of Schotland.
Dat betekent meer transport, hogere CO₂-uitstoot en grotere afhankelijkheid van andere landen. Bovendien wordt transport steeds moeilijker door lage waterstanden in rivieren.
Dus het probleem zit niet in de hoeveelheid grondstoffen, maar in de organisatie ervan?
Precies. Het gaat om planning en governance. Eigenlijk moeten we beter kijken hoeveel primaire grondstoffen we nodig hebben, hoeveel we uit recycling kunnen halen en hoeveel we dus nog moeten winnen. Dat vraagt om langetermijnplanning.
Op dit moment gebeurt dat nog te weinig. Veel beleidsprocessen zijn verkokerd: verschillende ministeries en beleidsvelden kijken naar hun eigen stukje, terwijl de vraagstukken juist samenhangen.
Wat zou volgens jou nodig zijn om dat te verbeteren?
We moeten keuzes durven maken en ook de consequenties daarvan expliciet maken. Als je bijvoorbeeld besluit om geen zand meer te winnen, moet je accepteren dat we minder kunnen bouwen of dat we grondstoffen van ver moeten importeren met alle negatieve impact die daarbij hoort. Daarom is het belangrijk om integrale afwegingen te maken. Anders weet je eigenlijk niet waarvoor je kiest.
Welke rol kan de overheid daarin spelen?
Ik denk dat er weer meer regie vanuit de rijksoverheid nodig is. Op dit moment ligt veel verantwoordelijkheid bij gemeenten, maar zij kijken vooral naar hun eigen lokale belangen. Veranderingen in hun gebied wil men vaak niet.
Grondstoffenwinning is echter een nationaal belang. Net zoals een haven of luchthaven niet alleen voor één stad is, zijn bouwgrondstoffen nodig voor het hele land (de bouwgrondstoffen zijn maar in drie provincies in de bodem aanwezig).
Wat is volgens jou belangrijk voor de toekomst van beleid?
Duidelijkheid en lange termijnplanning en doorzettingsmacht van hogere overheden. Bedrijven moeten weten waar ze aan toe zijn voordat ze investeren in nieuwe schepen of technieken. Daarnaast moeten we ruimte laten voor innovatie. Technologie en energievoorziening veranderen snel, dus beleid moet flexibel genoeg blijven om daarop in te spelen.
Voor bedrijven is tijd ook heel belangrijk. Door alle extra onderzoeken en procedures wordt die tijd steeds korter. Bedrijven hebben tijd nodig om hun koers te veranderen. Als je bijvoorbeeld een nieuw schip bouwt, denk je in termijnen van dertig jaar. Beleidsmakers denken vaak in periodes van vier jaar, maar voor bedrijven is dat bijna gisteren. Dus neem het bedrijfsleven mee en geef ruimte om te experimenteren met innovaties.